Kling

Kling werd geboren in vuur en water, gegoten uit kostbaar brons.
Ze zeggen dat zijn baas hem achtergelaten heeft aan het begin van de oorlog.
Ze zeggen dat hij stinkt naar koperpoets
Ze zeggen dat hij ijdel is en onnodig lang galmt.
Hij zegt dat hij bij zijn geboorte glansde als een schat van goud. Iedereen was verliefd op hem.
Dat is allemaal waar.

Maar vandaag is Kling opgeborgen in een doorzichtige plastieken bak, met een deksel en een sticker “weekenddoos” erop. Het is pikkedonker tot de bak opeens opgetild wordt. Schuddend voelt hij dat hij met de rest van de bak naar een andere plek gebracht wordt. Verstoord probeert Kling door de halfdoorzichtige wanden van de bak te volgen wat er met hem en om hem heen gebeurt.

“Hee! Hee!” roept hij boos en werpt zijn klepel tegen de rand, “Waar gaat dit naar toe?” Maar het klingelen is te zacht en te dof om gehoord te worden.

“Niet doen, man!” hoort hij achter zich. “Niet!”

Verschrikt draait hij zich om en ziet de kleine zwarte machine, die al jaren met hem in de doos zit, hem opeens aanspreken.

“Whoa! Kun jij spreken? Ben je mij al die jaren al stiekem aan het afluisteren?” vraagt Kling geschokt.

“Niet. Dat doe ik, niet. Ik dacht dat ik stom was en ertoe veroordeeld was om voor altijd naar je scheldpartijen te moeten luisteren. Maar opeens kan ik praten. En ik zeg: ‘Niet, doe het niet!’

Een beetje uit zijn evenwicht schraapt Kling zijn keel om tijd te winnen. “Euhhh, maar natuurlijk. Waar zijn mijn manieren gebleven? Ik zal me even voorstellen: ik ben Kling, bijna honderd jaar oud en negenenveertig jaar in mijn huidige betrekking, en…”

“Niet. Wat is een betrekking?” onderbreekt de zwarte metgezel hem.

“Euh, werk, job, in dienst van?” suggereert Kling terwijl hij zich over zijn houten handvat krabt.

“Niet. Ah, snap ik,” hoor hij mompelen en wil verder gaan met zijn verhaal.

“Niet. En wat deed je daarvoor? Je zei dat je bijna honderd was. Of lag je toen ergens te roesten?”

“Meneer, nu gaat u te ver! Ik vind het fijn om na zo lange tijd weer met iemand te praten, maar weiger me te laten beledigen. Ik was daarvoor dé tafelbel van een zeer deftige familie. Ik lag in de hand van de eigenaresse en werd teder en elegant geschud. Hierdoor uitte ik uiterst zuivere klanken en glansde ik het oranje licht van een zonsopgang tegen het witte plafond, spelend met de Engeltjes in de hoeken van de kamer. Maar nu genoeg over mij. Wie bent u? En hoe lang bent u al in dienst?”

“Niet. Ik ben Niet, de nietmachine.”

“Hoezo niet? Bent u nu wel of niet een machine?”

“Niet.” antwoordt Niet bedaard, “Ik ben vijf jaar geleden in deze doos gelegd en sindsdien slechts een paar keer per jaar gebruikt. Een beetje zonde, want rust roest. Toch is het best een fijn leven. Achter mij ligt een perforator en die is al twee jaar niet gebruikt. Als hij zich nu in papier vastbijt, verschijnen er roestrandjes bij de gaatjes. Hoe actief ben jij eigenlijk?”

Kling slaat dramatisch zijn ogen op naar het deksel van de bak: “Ach! Als ze mij nodig hebben, is het zo intensief dat ik er weken van moet bijkomen.”

“Wat doe je dan precies? Ik kan uit je voorkomen niet raden wat je nu doet?”

“Heb je nog nooit een koperen bel gezien, een echte vooroorlogse handbel?”

“Niet” antwoordt zijn toehoorder hoofdschuddend.

“Wel, ik hou de mensen bij de les. Een zwaar leven, van ‘s ochtends vroeg tot ’s avonds laat. Ze zetten me overal neer en dan zijn ze mij kwijt. Vreselijk. ’s Ochtends wek ik de bezoekers, vaak op een onbeschaafd vroeg uur. Ik hoor ze dan schelden door de dunne wandjes heen. Dan volgt een lange dag. Ik word zowat uit elkaar geklept om mensen samen te brengen, of om ze te laten weten dat ze hun pen moeten neerleggen, dan zuchten de meesten, of om het middagmaal aan te kondigen. Ik krijg er zelf hoofdpijn van.”

“Niet. Ben je daarom zo dof? Je ziet er namelijk een beetje pips uit.”

“Ach zwijg stil,” vertrouwt hij hem toe. “Nooit wordt ik eens lekker opgepoetst. Op een dag raakte mijn klepel los en in plaats van mij bij een smid te laten herstellen, heeft een of andere Pipo de klepel met een paperclip vastgemaakt. Ik schaam mij diep.”

“Niet? Wat een verhaal. Dat moet in de krant. Een groot schandaal. Je moet ze aanklagen. Voor je het weet ben je vijftig jaar in functie en wordt je trouwe dienst vergeten. Of nog erger, wordt je vervangen! Denk je niet? We moeten ons organiseren, een jubileum-commissie in leven roepen, de pers erbij, een lintje.”

“Mmmm,” antwoordt Kling een beetje verlegen, “Niet? Ik ben wel ijdel maar al die aandacht? Ik weet het niet?”

“Niet. Ik vind je steeds sympathieker. Laten we een feestje bouwen! Ik haal Perforator erbij, pilletje erin en dan gaan we los!”